Blog Ontwikkelingspsychologie
Op het blog Ontwikkelings psychologie schrijven auteurs van Bohn Stafleu van Loghum over hun ervaringen met dit onderwerp. Soms sterk vanuit wetenschappelijk, soms meer vanuit een alledaags oogpunt.
Op het blog Ontwikkelings psychologie schrijven auteurs van Bohn Stafleu van Loghum over hun ervaringen met dit onderwerp. Soms sterk vanuit wetenschappelijk, soms meer vanuit een alledaags oogpunt.
Italiaanse jongeren die van hun ouders geleidelijkaan aan tafel wijn mogen drinken krijgen later minder alcoholproblemen dan wanneer ouders dat niet goed vinden. Dat is de conclusie uit een onderzoek onder 160 jonge mensen uit Abruzzo en Umbria. De helft was 16 tot 18 jaar, de andere helft 25-30 jaar.
De meesten van degenen die aan tafel hadden mogen mee-drinken dronken later nooit zoiets als vijf glazen per dag en werden nooit dronken, zoals de andere groep wel. Bij de weinigen onder hen die toch zware drinkers werden gebeurde dat later dan bij degenen die nooit hadden mogen drinken aan tafel.
Hoewel de onderzoekers moeten toegeven dat dit wel een typisch Italiaanse situatie is, wijzen ze erop dat ook uit andere onderzoeken is gebleken dat jongeren die in gezinsverband op een gewone, beheerste manier kennis maken met alcohol er later minder problemen mee hebben. Het gaat dan volgens hen nadrukkelijk om het gematigde drinken van wijn aan tafel, bijvoorbeeld niet om het gedachteloze bier zuipen tijdens het kijken naar de televisie. Er moet sprake zijn van een culturele setting waar jongeren langzaam deelgenoot van worden. Alcohol wordt dan iets vanzelfsprekends en niet iets waar je je aan te buiten gaat omdat het spannend is.
(Bron: Lee Strunin e.a. Familial drinking in Italy. Addiction Research & Theory, 18, 3, 2010)
(Deel III Hoofdstuk Op zoek naar avontuur Alcohol)
Categorie: Kijken naar jezelf | Er zijn nog geen reacties
Psychologen zijn ervan overtuigd dat er een aangeboren intuïtie bestaat voor globale aantalverschillen. Dat is bij baby’s, peuters en kleuters in divers onderzoek vastgesteld. Uit een recent onderzoek zou je kunnen opmaken dat er ook een pril besef is van aantalverhoudingen.
Drie- en vierjarigen zagen een levensgrote pop – zoals die in kinderfilms is te zien – die vijf blauwe bloemen haalde uit een doorzichtige kist en daar met groot plezier mee ging spelen. Er waren drie even grote groepjes kinderen. Bij elk van de drie was wat ze te zien kregen net even anders. Bij de eerste groep zaten in de kist uitsluitend blauwe bloemen. In de tweede voor de helft blauwe bloemen en voor de helft rode ballen. En in de derde was de verhouding één blauwe bloem tegen vier rode ballen. Maar in alle drie condities koos de pop alléén blauwe bloemen om mee te spelen.
Daarna was er een kleine pauze en toen kregen de kinderen op tafel een hoeveelheid blauwe bloemen en rode ballen en werd hen gevraagd aan de pop een speeltje te geven waarvan zij dachten dat de pop dat leuk zou vinden. In de conditie met alleen maar blauwe bloemen gaven ze hem even vaak een bal of een bloem. In de halfomhalf conditie veel vaker de bloem en bij de een op vier verhouding nog vaker de bloem.
In een vervolg experiment met kinderen van anderhalf tot twee jaar pakte niet een pop maar een volwassene vijf dezelfde speeltjes. Er waren hier maar twee condities. In de ene koos de volwassene alleen bloemen, in de tweede alleen ballen. In beide gevallen zaten in de kist de ene keer veel minder ballen dan bloemen – ook weer in een verhouding van 1 op 4 – en de andere keer precies andersom. Die volwassene speelde in alle gevallen even vrolijk met de ballen of de bloemen. Toch bleek dat de kinderen dachten dat hij het liefste het speeltje wilde waarvan er maar weinig in de kist hadden gelegen!
Natuurlijk denken zulke kleintjes nog niet in statistische verhoudingen, maar er is kennelijk een notie van meer en minder dat zij emotioneel kunnen vertalen. Als je iets pakt waar maar weinig van is vind je dat kennelijk het fijnst.
(Bron: Tamar Kushnir e.a. Young Children Use Statistical Sampling to Infer the Preference of Other People. Psychological Science, 21,8, 2010)
Een interessant onderzoek, waaruit blijkt dat karaktertrekken als kind nogal eens samengaan met bepaalde gedragskenmerken in de volwassenheid. Maar een waarschuwing is op z’n plaats. Het betreft samenhangen die gevonden zijn voor een groep. Je kunt op basis daarvan absoluut geen voorspelling doen voor hoe een individueel kind zich later zal gedragen.
Van een groep van 2400 schoolkinderen uit Hawaï, die in 1960 uitgebreid waren beschreven door hun leraren, werden er in 2000 144 in hun volwassenheid teruggevonden. Ze werden geïnterviewd en gefilmd. Hun manier van doen werd vergeleken met wat hun leraar vroeger over hen had geschreven. Er waren vier opvallende verbanden.
Kinderen die makkelijk uit hun woorden konden komen hadden als veertigers relatief vaker een intellectuele belangstelling, waren intelligent, goede sprekers en zeker in hun optreden in nieuwe situaties. Kinderen van wie de leraren daarentegen hadden geschreven dat hun verbale mogelijkheden laag waren, bleken in hun volwassenheid onzeker en onhandig in hun optreden, geneigd vaak raad te vragen aan anderen en als iets tegen zat snel op te geven.
Kinderen die door hun leraren sociaal goed aangepast waren gevonden en zich ook in nieuwe situaties snel op hun gemak voelden, waren later relatief vaak opgewekt, makkelijke praters en intellectueel geïnteresseerd. Wie als kind op het punt van sociale aanpassing laag was beoordeeld sprak als volwassene vaak in negatieve bewoordingen over zichzelf, was onzeker en onhandig in optreden en geneigd bij anderen aan te kloppen voor raad.
Hoog impulsieve kinderen waren luidruchtige volwassenen geworden, praatten veel en waren met van alles en nog wat bezig. De laag impulsieven waren later verlegen, soms sociaal angstig, onzeker en hielden anderen op afstand.
Kinderen die door hun leraren waren beschreven als nooit op de voorgrond tredend en met heel weinig eigendunk en zelfvertrouwen voelden zich in de volwassenheid naar verhouding vaker schuldig om iets, zeiden negatieve dingen over zichzelf en waren onzeker. Kinderen die als tegenovergesteld waren beschreven lieten luid en duidelijk van zich horen en gedroegen zich tegenover anderen nogal eens neerbuigend.
Maar nogmaals: alles alleen maar wat vaker en de samenhangen gelden alleen op groepsniveau!
(Bron: C.S. Nave e.a. On the Contextual Independence of Personality: Teachers’ Assessments Predict Directly Observed Behavior After Four Decades. Social Psychological and Personality Science Quaterly, August, 2010)
(Deel I Hoofdstuk Persoonlijkheid in wording Stabiliteit van persoonlijkheidskenmerken)
Categorie: bouwstenen van de persoonlijkheid | Er zijn nog geen reacties
Dat pubermeisjes die te dik zijn zich ongelukkig kunnen voelen is algemeen bekend. Er zijn ook allerlei programma’s ontwikkeld om hen te helpen af te vallen. Minder bekend is dat het risico op psychische problemen groter is bij pubermeisjes die dénken dat ze te dik zijn, maar een heel normaal gewicht hebben. Hun problemen zijn vaak ook ernstiger en is er sprake van depressiviteit.
Dat bleek uit een analyse van de gegevens van ruim 6.000 meisjes uit de Amerikaanse National Longitudinal Study of Adolescent Health.
Het verschil zou erin kunnen zitten dat te dikke meisjes een reële kijk hebben op wat er aan de hand is. Zelfs zodanig dat ook allerlei te dikke meisjes géén psychische problemen hebben, ook al willen ze wel graag afslanken. Maar meisjes die helemaal niet te dik zijn tobben dus over iets wat er niet is. Zo’n verstoord lichaamsbeeld wijst op een dieperliggende oorzaak. Misschien hormonaal van aard. Dezelfde hormonen die ervoor zorgen dat het kinderlichaam verandert in vrouwelijke vormen. Bij sommige meisjes gaat die verandering heel snel.
(Bron: Michelle Frisco e.a. The Image in the Mirror and the Number on the Scale: Weight, Weight Perceptions, and Adolescent Depressive Symptoms. Journal of Health and Social Behavior, 51, 2, 215, 2010)
(Deel III Hoofdstuk Van probleem naar stoornis Anorexia en boulimia)
Categorie: Kijken naar jezelf | Er zijn nog geen reacties
Sommige (niet álle!) gedragsproblemen van kinderen in de schoolleeftijd worden veroorzaakt of versterkt door gezinsrelaties. Gezinnen kunnen een emotionele steunbron zijn voor kinderen, maar ook een bron van stress. Het gezin is een systeem van relaties. Tussen ouders onderling, tussen ouders en kinderen en hoe die twee soorten relaties op elkaar inwerken.
Aan een Amerikaans onderzoek deden 234 gezinnen mee met een zesjarig kind. Zij werden drie jaar gevolgd. Drie gezinstypen werden onderscheiden. Harmonieuze: warme manieren van omgang met elkaar, duidelijke rolverdelingen, emoties worden geuit, flexibele manieren om problemen op te lossen. Verwarrende: wel emotioneel op elkaar betrokken, af en toe ook wel hartelijkheid maar tegelijkertijd veel conflicten en weinig saamhorigheid. Los hangende: koel en afstandelijk ten opzichte van elkaar, onderling niet geïnteresseerd, maar wel kritisch, over gevoelens wordt niet gepraat.
Kinderen met gedragsproblemen kwamen relatief vaker uit de twee laatste gezinnen. Maar er was een opvallend verschil. Probleemkinderen uit de los hangende gezinnen begonnen op school meteen met agressief en storend gedrag. Ze hadden moeite zich op leertaakjes te concentreren en zich in de klas aan de gedragsregels te houden. Deze problemen werden erger in de loop van de drie jaar.
Kinderen uit de verwarrende gezinnen hadden aanvankelijk geen problemen, maar gaandeweg de schooltijd ontstonden angsten, gevoelens van eenzaamheid, hadden ze weinig aansluiting met andere kinderen en met de leraar. Volgens de onderzoekers zijn dus juist kinderen uit deze verwarrende gezinnen kwetsbaar tijdens de eerste intensieve, sociale ervaringen buiten het gezin. Zij hebben thuis geen gemeenschapsgevoel kunnen leren.
(Bron: Melissa Sturge-Apple e.a. Typologies of Family Functioning and Children’s Adjustment During the Early School Years. Child Development, 81, 4, 1320-1335, 2010)
(Deel II Hoofdstuk Thuis Tussen ouders en kinderen)
Categorie: Tussen de anderen | Er zijn nog geen reacties
Ze lijken meer op elkaar dan je zou denken. Dat bleek uit een meta-analyse van de resultaten van 153 onderzoeken uit de laatste dertig jaar uit Amerika en Europa. Meer dan gemiddeld gelden voor hen de volgende kenmerken. Beide groepen hebben weinig algemene sociale competentie en in het bijzonder slecht ontwikkelde sociale vaardigheden om problemen en botsingen in de omgang met anderen op te lossen. Ze hebben veel negatieve gedachten over zichzelf. Ze komen uit gezinnen met veel conflicten en wat betreft de opvoeding nogal onmachtige ouders. Slechte sociale omstandigheden hebben op hen een extra negatieve invloed vergeleken met op andere kinderen. Ze hebben een hekel aan school.
Verschillen bleken er ook. Pestkoppen zijn extravert en zetten hun agressie om in externaliserend gedrag. Ze hebben ook allerlei minachtende ideeën over anderen. Ze zijn gevoelig voor ‘slechte’ invloed van leeftijdgenoten. Pestkoppen hebben vaak slechte schoolresultaten, slachtoffers niet. Slachtoffers richten hun agressie internaliserend op zichzelf. Typerend voor slachtoffers is dat zij vaak door leeftijdgenoten worden buitengesloten.
De meeste anti-pest programma’s zijn erop gericht de pestkoppen minder kans tot pesten te geven door regels en afspraken waaraan leerlingen moeten beloven zich te houden (’Bij ons wordt niet gepest’). Ook wordt het melden van pesterijen gestimuleerd. Op basis van hun resultaten vinden de onderzoekers onder meer dat daarnaast moet worden gewerkt met ouders om hun opvoedingsonmacht te verkleinen. Met beide groepen kinderen om hun sociale vaardigheden in het algemeen en hun conflictoplossend vermogen in het bijzonder te vergroten. En met de pestkoppen om hun schoolresultaten te verbeteren.
(Bron: Clayton R. Cook e.a. Predictors of Bullying and Victimization in Childhood and Adolescence: A Meta-analytic Investigation. School Psychology Quaterly, 25, 2, 65-83, 2010)
(Deel II Hoofdstuk Antisociale agressie Pesten en gepest worden)
Categorie: Als individu de wereld in | Er zijn nog geen reacties
Niet te snel tussen beide komen als peuters het tijdens het spelen niet met elkaar eens zijn. Dat is de conclusie van een Noors onderzoek, waarbij men vaststelde dat zelfs zulke kleintjes al heel aardig kunnen onderhandelen. Ze komen er vaak zelf wel uit.
Het ging om 24 twee- en driejarigen in de kinderopvang, van wie de speel-interacties werden opgenomen. De onderhandelingen gingen in het algemeen over speelgoedjes, over wat er mee werd gespeeld en over wie wat mocht doen. Het ging verbaal zowel als non-verbaal, met woorden, gebaren, manieren van kijken, glimlachen en schateren. Ze zetten ze allemaal in. Welke, was afhankelijk van waar het over ging. Woorden bijvoorbeeld vaker als het ging over met wat ze zouden gaan spelen. Kijken en glimlachen vaker als een kind iets graag wilde doen. Als het met het ene niet lukte, probeerden ze het op een andere manier.
Tussen kinderen die veel samenspeelden en elkaar het beste hadden leren kennen gingen de onderhandelingen het soepelste. Dat maakt dat de onderzoekers denken dat ervaring als heel klein kind belangrijk is. Gaandeweg die ervaring worden de kinderen flexibeler in het onderhandelen. Natuurlijk moet je tussenbeide komen als het uit de hand loopt of als één kind altijd het onderspit delft. Maar het is goed hen even te laten betijen.
(Bron: Torgeir Alvestad: Preschool relationships – young children as competent participant in negotiations. Dissertatie Göteborgs Universitet. Utbildningsvetenskapliga faculteten, 18 juni, 2010)
(Deel I Hoofdstuk Sociale ontwikkeling Vrijgevigheid)
Categorie: Uncategorized | Er zijn nog geen reacties
Uit hersenonderzoek is duidelijk geworden dat pubers een verschuiving hebben in hun slaap-waakritme in vergelijking met schoolkinderen. De behoefte aan de hoeveelheid slaap verandert niet en blijft gemiddeld op negen uur. Maar ’s avonds begint de slaperigheid zo’n twee uur later en ’s morgens zijn ze twee uur later pas uitgeslapen. Daarom wordt gepleit voor een verandering van schooltijden in het voortgezet onderwijs. Maar die tijden zijn zo ingeslepen in het maatschappelijke dagritme dat er veel verzet tegen is.
Op een highschool op Rhode Island heeft men toch maar eens een onderzoek gedaan. Ruim 200 leerlingen tussen veertien en zeventien jaar deden mee. Voor hen werd de aanvangstijd van acht uur verschoven naar half negen. Zelfs dat halve uurtje maakte al een wereld van verschil. Door de dag genomen waren de leerlingen minder sloom, slaperig, lamlendig, geïrriteerd, moe en depri. Ze konden zich tijdens de lessen ook beter concentreren. Interessant was dat het slaaptekort verminderde, ook al werd de negen uur niet gehaald. Het percentage leerlingen dat minder dan zeven uur sliep ging met tachtig procent omlaag. Zestien procent sliep gewoonlijk acht uur. Dat percentage liep op tot ruim vijftig. Het traditionele uitslapen in het weekend verminderde met gemiddeld drie kwartier.
Er was vanuit het schoolbestuur veel verzet om half negen permanent te maken. ‘Schooltijden zijn nu eenmaal heilig’, zegt één van de onderzoekers. Maar leerlingen en docenten zetten door en kregen hun zin.
(Bron: Judith Owens e.a. Impact of Delay in School Start Time on Adolescent Sleep, Mood and Behavior. Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine, 164, 7, 606-614, 2010.
Kyla Wahlstrom. School Start Time and Sleepy Teens. Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine, 164,7, 676-677, 2010)
(Deel III Hoofdstuk Cognitieve veranderingen, Aandacht, concentratie en planmatig werken)
Categorie: Geen kind meer | Er zijn nog geen reacties
De meeste ouders houden van hun kinderen. Maar dat wil niet zeggen dat zij de verschillen tussen hen niet zien. En dat maakt dat ze zich in hun ene kind makkelijker kunnen verplaatsen dan in het andere. Je kunt misschien zeggen: zich met het ene meer verwant voelen dan met het andere. En dat leidt tot verschillen in de manier waarop zij met hun kinderen omgaan. Met hun ene kind gaat hen dat makkelijker af dan met het andere.
Maar sommige ouders lijken die verschillen niét te kunnen hanteren. Dat kan onder meer maken dat er in een gezin een lievelingetje ontstaat. Uit onderzoek is al bekend dat dit op alle kinderen uit een gezin, inclusief het lievelingetje, een negatieve invloed heeft. Bij de andere kinderen groeit een stille wrok jegens de ouders en het favoriete broertje of zusje. En dit uitverkoren kind voelt enerzijds deze wrok en gaat er anderzijds onder gebukt dat het moet voldoen aan de speciale verwachtingen van de ouders dat het zich ook als bijzonder kind zal gedragen.
Amerikaanse psychologen wilden weten of deze gezinsverhoudingen doorwerken tot in de volwassenheid. Dat bleek zo te zijn, zelfs tot in de middelbare leeftijd. Het betrof hier het voortrekken door de moeder. In de stad Boston deden 275 moeders tussen zestig en zeventig jaar mee, met ten minste twee nog in leven zijnde kinderen, in totaal 671 zonen en dochters. Het onderzoek bestond uit interviews met moeders en kinderen afzonderlijk over hoe het vroeger thuis toeging. Daarbij werd speciaal ook gevraagd naar eventuele conflicten met een bepaald kind en of er ook eentje was dat emotioneel werd voorgetrokken. Ook werd onder andere aan moeder gevraagd van wie van de kinderen ze verwachtte dat die voor haar zou zorgen als zij ziek of gebrekkig zou worden. Als vroeger sprake was van een lievelingetje en een moeder nog steeds dat kind noemde als degene van wie zij zorg verwachtte ging dat significant vaak samen met meer verschijnselen van neerslachtigheid bij al haar volwassen kinderen, vergeleken met de kinderen in het algemeen.
(Bron: Karl Pillemer e.a. Mothers’ Differentiation and Depressive Symptoms Among Adult Children. Journal of Mariage and Family, 72, 2, 333, 2010)
(Deel I Hoofdstuk Plaats in de kinderrij Kinderen onder elkaar)
Categorie: Mens tussen de mensen | Er zijn nog geen reacties
In veel landen is het overheidsbeleid erop gericht een ‘digitale tweedeling’ te voorkomen. Dat wil onder meer zeggen dat men er naar streeft dat ook in de laagste milieus kinderen toegang hebben tot het internet. Daarvoor worden allerlei projecten in het leven geroepen waardoor ouders voor weinig geld of gratis een computer in huis kunnen halen. Ook hun kinderen kunnen dan van de educatieve mogelijkheden profiteren.
Uit een grootschalig Amerikaans onderzoek blijkt echter dat het effect negatief uitpakt voor de schoolresultaten wat betreft rekenen en taal voor leerlingen uit laaggeschoolde milieus. In de staat North Carolina werden 150.000 leerlingen tussen acht en dertien jaar gevolgd tussen 2000 en 2005, een periode waarin een snelle toename was te zien in het aantal gezinnen met computers en toegang tot internet. Men vergeleek de kinderen uit gezinnen die al in 2000 hierover beschikten met degenen die pas in de vijf jaar daarna thuis internetmogelijkheden kregen. Die laatsten waren met name kinderen uit achterstandsgezinnen. Hun schoolresultaten gingen na de komst van de computer achteruit. Niet dramatisch, wel significant. Deze kinderen gebruikten de computer voornamelijk voor amusement, niet voor educatieve doelen. Bovendien besteedden ze daardoor minder tijd aan schoolwerk.
Dat bleek een belangrijk verschil met geschoolde gezinnen. Daar zien de ouders erop toe dat kinderen niet alleen maar spelletjes spelen en letten ze erop dat de schoolresultaten niet onder computergebruik te lijden hebben.
(Bron: Jacob Vigdor & Helen Ladd: Scaling the Digital Divide: Home Computer Technology and Student Achievement. National Bureau of Economic Research online, june 18 th, 2010)
(Deel II Hoofdstuk Computerkinderen Op zoek naar informatie)
Categorie: Uncategorized | Er zijn nog geen reacties